Storingen aan laadpalen oplossen
Zoek op foutcode, melding of klacht. Filter op laadpaalmerk, automerk, soort melding en ernst om sneller bij de juiste storing te komen.
91 storingen gevonden
Het laden is gestopt door een omstandigheid die AC-laden verhindert. DC-snelladen en superchargen blijven wel werken. De oorzaak ligt vaak bij storingen in de voeding vanuit de laadapparatuur of het elektriciteitsnet – soms zelfs door apparaten in de buurt die veel stroom trekken. Zijn die oorzaken uitgesloten, dan kan de auto zelf het AC-laden beïnvloeden.
Tijdens het laden viel de stroom weg. Dat kan komen doordat de voeding van de stroombron naar de laadapparatuur uitviel, of door een probleem met de laadapparatuur zelf.
De auto heeft wisselstroom gevraagd, maar de boordlader meet geen spanning vanuit de laadapparatuur. Vaak is er een hardwareprobleem in de laadapparatuur waardoor die de stroom naar de auto niet kan inschakelen. DC-snelladen blijft werken.
De boordlader mat een ongewoon sterke spanningsdaling en heeft het laden onderbroken. Waarschijnlijke oorzaken: problemen met de bedrading van het gebouw of het wandcontact, of een verlengsnoer dat de gevraagde laadstroom niet aankan. Zware apparaten op dezelfde groep kunnen dit ook veroorzaken.
De boordlader meet spanning op het laadcontact terwijl er geen stroom is gevraagd. Dat wijst erop dat de laadapparatuur niet goed werkt: die kan de stroom naar de auto niet op verzoek in- of uitschakelen. AC-laden kan daardoor niet beginnen; DC-snelladen blijft werken.
De mobile connector heeft vastgesteld dat het stopcontact onvoldoende is geaard, waarschijnlijk door een onjuiste of ontbrekende aardingsaansluiting. Dat wijst niet op een probleem met de mobile connector of de auto, maar met de elektrische installatie waarop u laadt.
De auto kan niet laden omdat de aardlekschakelaar (GFCI) in de mobile connector is geactiveerd. Die onderbreekt de stroom bij een probleem, om de auto en de laadapparatuur te beschermen. De oorzaak kan in de laadkabel, de laadgreep, de laadpoort of zelfs in een onderdeel van de auto zitten.
De auto kan niet laden of het laden wordt onderbroken omdat de mobile connector een te hoge spanning of een onverwachte spanningsverhoging op het wandcontact meet.
De auto kan niet laden of het laden wordt onderbroken omdat de mobile connector onvoldoende spanning of een onverwachte spanningsdaling op het wandcontact meet.
Het laden is onderbroken omdat de mobile connector een te hoge temperatuur meet in de behuizing van de regelkast.
De mobile connector meet een hoge temperatuur bij het stopcontact en heeft het laden gestopt om dat stopcontact te beschermen. Dit wijst niet op een probleem met de mobile connector of de auto, maar met het stopcontact of de installatie. Een warm stopcontact komt door een niet volledig ingestoken stekker, een losse draadverbinding of slijtage van het stopcontact.
Het laden is onderbroken omdat de mobile connector een hoge temperatuur meet in de laadgreep die op de laadpoort van de auto zit.
Het laden is onderbroken omdat de mobile connector een hoge temperatuur meet op de plek waar de stekkeradapter op de regelkast is aangesloten.
De auto kan niet laden omdat hij niet goed communiceert met de mobile connector: die kan via nabijheidsdetectie niet vaststellen dat de greep volledig op de auto is aangesloten. Meestal ligt dit aan de mobile connector, niet aan de auto.
De auto kan niet laden omdat hij niet goed communiceert met de mobile connector: die kan geen geldig stuursignaal opwekken of vasthouden. Meestal ligt dit aan de mobile connector, niet aan de auto.
De auto heeft een interne conditie in de hoogspanningsbatterij gedetecteerd die de prestaties beperkt. Daardoor nemen het maximale laadniveau en het bereik af. Service is nodig om de volledige prestaties te herstellen.
De auto heeft een interne conditie in de hoogspanningsbatterij gedetecteerd die het laden begrenst op 50%. Boven dat niveau start het laden niet meer.
De Wall Connector meet een hoge temperatuur bij de aansluiting op de gebouwbedrading en heeft het laden vertraagd om die bedrading te beschermen. Meestal ligt dit niet aan de auto of de Wall Connector maar aan de bedrading van het gebouw, vaak door een losse draadverbinding.
Eén van de klepsensoren van het laadcontact werkt niet goed. De auto kan daardoor niet betrouwbaar zien of het klepje open of dicht is. De vergrendeling kan af en toe ingeschakeld blijven terwijl het klepje open is, en de laadcontactverlichting kan onbedoeld aan gaan.
Eén van de klepsensoren van het laadcontact communiceert niet goed. De auto herkent daardoor mogelijk niet dat u op het klepje drukt om het te openen. Het laadcontact zelf werkt verder gewoon; u moet het klepje alleen op een andere manier openen.
De vergrendeling van de laadpoort krijgt de laadkabel niet vast. Zolang dat zo is, wordt AC-laden (mobile connector of Wall Connector) beperkt tot 16 A en is DC-snelladen of superchargen niet beschikbaar. Het laadpoortlampje knippert oranje bij AC-laden en brandt continu oranje als u toch probeert te snelladen. Meestal ligt de oorzaak bij de kabel of vuil, niet bij de auto.
De auto heeft gemerkt dat de verbinding tussen het laadcontact en de laadkabel onverwacht is verbroken, en heeft het laden gestopt. Dit gebeurt bijvoorbeeld als de kabel eruit wordt getrokken terwijl de auto nog aan het laden is.
Het laden kan niet beginnen omdat het laadstation aan de auto doorgeeft dat het nog niet gereed is of dat laden niet is toegestaan. Dat gebeurt bijvoorbeeld als het station zelf een laadschema heeft, of als u eerst moet inchecken met een laadpas, app of creditcard.
De vergrendeling van de laadpoort krijgt de laadkabel niet los en de auto heeft een lage buitentemperatuur gemeten. De vergrendeling kan vastgevroren zijn.
De vergrendeling van de laadpoort krijgt de laadkabel niet vast en de auto heeft een lage buitentemperatuur gemeten. Zolang de vergrendeling niet grijpt, is AC-laden beperkt tot 16 A en is DC-snelladen of superchargen niet beschikbaar. Het laadpoortlampje knippert oranje bij AC-laden en brandt continu oranje als u probeert te snelladen.